Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rtot het muschje in den boom: „Goed, lief vogeltje, kom toch weer hier; Frits zal je heusch geen kwaad doen!"

Maar het vogeltje was doof ditmaal; het vloog weg, ver en hoog, zoodat Nanny het uit het oog verloor.

„Hè, nou is het weg!" zei ze droevig; „het was zoo aardig."

„Nou, 't zal wel weer terugkomen, en er zijn nog genoeg andere over," zei Frits onverschillig, voorover liggend, met de beenen gelijkmatig trappend op en neer, terwijl hij met een afgebroken dentakje het mos omwoelde.

„Het is hier wel lekker koel om uit te rusten; hè, 'k ben zoo warm! Het was een dol spel, hoor, en ik heb het 't eerst gewonnen. Zeg, waarom doe jij toch niet mee?"

„Hier is het mooier en prettiger," antwoordde het

meisje droomerig.

Ongeduldig schopte Frits met zijn voeten. „Nou, ga je meê?" vroeg hij, opstaand.

„Ja, maar niet spelen; ik wou graag hei gaan plukken; van die mooie, heel lichte, die daar staat aan den anderen kant van 't boschje; en dan wou ik ze brengen bij Vrouw Wes, voor dood Anneke. Het is wel heel ver, maar als we hard loopen, kunnen we het toch nog wel doen, hè?"

„O, best!" riep Frits, die pleizier in het plan had, om alleen met Nanny zoo ver te gaan; „laten we dan nou gauw gaan!"

Vertrouwend legde Nanny haar handje in zijn stevige, groote jongenshand, en blij huppelden de twee kinderen samen voort, hand in hand, het bosch uit en de hei op, heuvel-

Sluiten