Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riet was laat geworden. Manus begreep niet wat de dames daarbinnen zoo lang hadden gedaan. Polio was begraven, een klein heuveltje onder den denneboom toonde zijn graf. Manus had het met wat mos en takken bedekt. Zijn mand stond schoongemaakt tegen den achterkant van het hutje aan; de kippen waren stil en schenen reeds te gaan slapen.

De zon scheen niet meer; een fijne motregen viel neer en een natte, vochtige nevel breidde zich over de hei uit. Alles was zoo kil, zoo akelig somber in 't rond, zoo heel anders dan toen zij 's middags uitreden.

Moeder en dochter huiverden toen zij buiten kwamen en lieten de zeiltjes van den tentwagen neerhalen.

Stil reden ze naar huis.

„Arme Vrouw Panne! Hoe wonderlijk gaat het toch soms in 't leven; wie zou zoo iets bij dat oude, verschrompelde heivrouwtje hebben gezocht! Je hebt vandaag wel veel treurigs gehoord, Nanny," zei mevrouw zacht.

Nanny knikte. Ze lag gemakkelijk tegen moeder aangeleund, die den arm om haar kind had heengeslagen als om het te beschermen tegen al dat droeve, tegen dien grauwen, zich steeds verdikkenden nevel. Nanny's hoofdje rustte zacht en veilig tegen moeders schouder.

Het was toch zoo heerlijk, vooral in droefheid, om dicht bij moeder te zijn!

Oud en gebogen, zwaar steunend op haar stok, telkens eens stilstaand om even te rusten en op adem te komen,

Sluiten