Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nu was ook de laatste schuilplaats van Mevrouw Woetbel, de hut, waarin zij haar laatste, simpele levensjaren zoo vreedzaam sleet, in vlammen opgegaan! En er was niets, niets meer over van dat lang, beklagenswaardig, veelbewogen leven! De laatste rest verbrand! Alleen haar kruis van geelgeworden ivoor hing op Nanny's kamer, als herinnering aan de oude vrouw, het heiheksje, waarvan zij veel had gehouden en geleerd.

Om acht uur ontbeten ze, want om negen uur ging de trein. Frits zou met vader en moeder reizen, die voor een receptie en boodschappen naar Rikmond moesten. Zij hadden gevraagd of Nanny ook mee wilde gaan, maar zij had gezegd liever thuis te blijven, want het was zoo warm en zoo'n heelen dag naar stad, vermoeide haar altijd erg.

Zij bracht hen naar het station. Onderweg beloofde Frits haar veel mooie briefkaarten te zenden uit Zwitserland. Hij was heel vroolijk en Nanny geloofde dat hij het toch wel aardig vond om eens te gaan naar dat kleine land van hooge bergen.

Druk en hartelijk nam hij afscheid, en toen de trein zich in beweging zette en wegstoomde, zag zij nog lang zijn zakdoekje met het fijne, rood en wit gespikkelde randje, waarmeê ze hem zoo dikwijls plaagde, wanneer het coquet uit zijn vestzakje stak, naast den breeden, witten lap van vader uit het raampje zwaaien en wapperen.

„Als hij niet oppast, waait het nog weg uit zijn hand," dacht ze, in zichzelf lachend, terwijl ze vroolijk terugwuifde.

Sluiten