Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen ieder een pak vol warme, wollen kleêren kreeg. En toen zij, na nög eens goed getrakteerd te zijn, langzaamaan het schoollokaal verlieten, klopte menig dof-gelijkmatigtikkend hart sneller en warmer, en was er in hen iets nieuws, iets goeds ontwaakt; een gevoel van dank en liefde voor die goede menschen van Huize „Rust," die hen eens even hadden weggetrokken uit den gewonen sleurgang van hun arbeidsleven, om hun iets moois, verkwikkenden afglans van blijde Kerstvreugde, te laten zien, iets, dat zij nog niet kenden vóór dien.

En met lichteren stap en opgeklaard van binnen, de kleintjes zorgvuldig voerend aan de hand, opdat ze niet zouden vallen of door de modder hunne beste pakjes vuilmaken, gingen ze een eindweegs met elkaar over den breeden, donkeren dorpsweg, totdat elk gezin zijn eigen weg insloeg naar zijn eigen kluisje.

Nog een poosje bleef de familie Rogers en de gasten bijeen, om een beetje op te ruimen en de lichtjes uit te blusschen. Allen waren warm en moe, maar toch glinsterden en lachten aller oogen, zelfs die van Nicht Bertha en die van den pastoor, want allen waren het er over eens, dat het een mooie, blijde avond geweest was.

En toen de lichtjes al allemaal uit waren, zat Coba van den pastoor, beide handen in de zij, den mond wijd open en de bolle oogen, groot en verbaasd uit het roodglimmende gezicht, nog maar al door, al door te kijken naar dien reuzenboom, bijna tot de zoldering reikend, tot plotseling broer haar een flinke por tegen den arm

Sluiten