Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dooriers den volgenden morgen naar hun kerkje op. De Roomschen naar het hunne aan het kanaal, de Protestanten naar het Holdensche op de hei. De familie van Huize „Rust" kwam ook in het Holdensche.

Mevrouw Rogers ging met Mevrouw Knozee en Nicht Bertha per rijtuig, mijnheer met de jongelui te voet. De Kerstklokken luidden, luidden lang, en weergalmden ver over de gure, grijze hei. Sneeuwvlokken dwarrelden neer uit de grauwe, dikke lucht, al dalend smolten ze saam tot een gestadig, fijn motregentje.

„Kijk, toch een Kerstmis met sneeuw, hè, Nans!" zei Frits, terwijl hij, naast haar gaande, een parapluie ophield boven haar hoed; „alleen de zon ontbreekt er aan!"

Het kleine kerkje was geheel bezet toen zij binnenkwamen. Kerstdag was een dag waarop alle Dooriers, indien ze maar eenigszins van huis wegkonden, kerkwaarts gingen. En zij hoorden dat oude, oude Kerstverhaal, van het kindeke Jezus, dat daar geboren was in de kribbe te Bethlehem. Och, zij hadden dat verhaal al zoo vaak gehoord, vooral de ouderen, die kenden het wel haast van buiten; maar toch luisterden ze en vonden het mooi. In de nu geheel bezette familiebank van „het Huis op den heuvel" zat Nanny tusschen Ella en Frits in en luisterde aandachtig naar de eenvoudige woorden van den predikant. En menig oog dwaalde onder de preek af naar de lieve juffer van 't Huis, van wie alle Dooriers toch zooveel hielden.

Dominee vertelde van een kleinen jongen, het zoontje

Sluiten