Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toch, waar bleven ze, de dagen en wat was er met hen geschied, dat ze nu ineens voorbij waren, alle?

„Ik weet het niet, ik weet het niet; 't is wonderlijk, wonderlijk!" schudde langzaam, meewarig het grijs-witte, van ouderdom zware hoofd. Och, de menschen die daar vredig bijeen waren in het kleine kerkje, ze begrepen het geen van allen, dat het nu al weer Oudejaarsavond was; ze wisten niet waar ze heen waren, die snel vervlogen dagen; begrepen niet, dat zij er reeds zoovele hadden geleefd.

Ge liept door mijn vingers als water,

Ik dronk u, maar proefde niet.

En wat valt van u te zeggen,

Van wat ge voor mij zijt geweest?

Voor de meesten vloog het leven daarheen als een droom, en het eind, dat zij zoo heel ver nog weg dachten, zouden ze hebben bereikt eer ze het begrepen!

Nanny zag het kerkje eens rond naar al die bekende gezichten. Daar zat het geheele huishouden Wes. De baas, de vrouw, Neeltje en de kinderen, allen, behalve de twee jongsten, waarover zoolang een grootmoeder, die voor Oud en Nieuw bij Wes op visite was, waakte.

Naast Vrouw Wes zat Dineke, met het stomme gezichtje en de groote holle oogen, de mond met de dikke lippen wijd open, onnoozel turend vooruit.

Arm Dineke! dacht Nanny; wat zit ze toch geduldig daar. En als de menschen de handen vouwen tot gebed, vouwt zij ook haar dikke, ronde handjes saam, maar waarom, waarvoor, dat beseft ze niet. Omdat moeder het

Sluiten