Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen lag Nanny zwaar ziek ter neer, het jonge leven was in groot gevaar. Soms lag ze bewusteloos, ijlend in hevige koortsen; dan weer was ze bij kennis, zag alles om haar heen gebeuren, maar was te zwak om het in zich op te nemen . . .

De zuster was gekomen. Een klein, vriendelijk nonnetje, uit een kloosterziekenhuis op de hei, niet ver van Holden. Nanny had die groote, zware vrouwen, heelemaal in het zwart met breede kap op en rinkelenden rozenkrans om, wanneer zij ze soms tegenkwam in Doorle of op de hei, altijd een beetje griezelig, zoo donker en doodsch, geheel in tegenstelling met de lichte, levende natuur, gevonden.

Maar dit nonnetje was er geen om bang van te zijn! Neen, vriendelijk en stil-zacht liep ze door het huis of dwarrelde geruischloos rond het ziekbed en van uit de breede, witte kap kwam te voorschijn een lief, bleek gezicht met groote, zachte oogen.

Ze was maar een eenvoudig nonnetje, dat meest in arme heihutten en arbeidersgezinnen, waar veel ellende was, kwam; die het leven slechts kende van den treurigsten, droevigsten kant. En waar zij kwam, daar bracht ze rust en verlichting; kalm waarde ze rond: een stille, edele vrouw, wier leven was een gaan van het eene ziekbed naar het andere; een voortdurend in aanraking zijn met dien kouden, klepperenden vleugelslag van den dood; een kleine vrouw, die de smarten in zich droeg van heel een zieke, met den dood worstelende wereld .... en die toch

Sluiten