Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet het niet en dat weet eigenlijk niemand, Nans!"

„Maar Frits, voel jij dan niet zoo iets diep in je, een zachten klank, nauw hoorbaar, en toch als van iets eeuwigs, dat leeft in ons?"

Langzaam schuifelde hij heen en weer met zijn voeten, hij wist eigenlijk niet wat te zeggen. Want bij hem, den krachtigen, jongen man, leefde die klank ook wel; hij voelde hem goed, en misschien zou hij eens naar voren komen en tot overtuiging worden, wanneer hij zou zijn gerijpt tot ernstig-denkend man; nu echter wilde hij er nog niet voor uitkomen, sprak er liever over heen.

„Je moet niet te veel peinzen over zulke dingen, Nans; we kunnen toch niet doordringen tot het diepste; wachten moeten we," antwoordde hij na een poosje.

„Ik moet er nu eenmaal over nadenken, ik kan het niet laten, en het leven is zoo weinig mooi, men geniet er zoo weinig van, wanneer men er niet een beetje in doordringt, Frits!" zei ze ernstig zacht.

Er ontstond een stilte.

Toen, om een wending te geven aan het pijnlijk zwijgen, begon Nanny vlug, op meer vroolijken toon, over andere onderwerpen, over Ella, die het zoo prettig had en zooveel zag en genoot in Berlijn. En hij, blij dat de stilte verbroken en zij weer vroolijk was, vertelde van de lange, enthousiaste brieven, die iedere week kwamen en zijn moeder zoo gelukkig maakten. En onder het vertellen vloog de tijd. De mooie, lang verwachte dag was spoedig

Sluiten