Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verkwikt, en dan weer vragen we de zon of ze zich niet schaamt haar vroolijk gouden stralen toch te doen schijnen op een plek van zooveel droefheid en rouw, zooals het dien morgen in Doorle was, toen bij haar eersten gulgouden gloed de boodschap kwam in het dorp dat hij, de wreede verwoester, de ondoorgrondelijke met den klepperenden vleugelslag, dien nacht was binnengedrongen tusschen de vaste muren van Huize „Rust."

Nanny, het lentekind, was gestorven.

In de stille kamer met de neergelaten gordijnen lag ze; op het witte kussen rustte het smalle, bleeke gezichtje met de zware, donkere vlechten; om den gesloten mond met de fijne lippen speelde een lichte glimlach, zoo weemoedig.

Drie dagen waren verloopen sinds dien treurigen stormdag, die zooveel onheil bracht, al die dagen lag ze in hevige koortsen en slechts een paar maal nog was ze bij kennis.

Den vorigen middag nog had zij eenige oogenblikken van helder bewustzijn, waarin ze zacht fluisterde tot moeder: „Zeg toch niet dat het redden van Dineke er schuld aan is, . . . zeg dat toch nooit . . . neen, Dineke heeft geen schuld; .... haar redding heeft m'n ziekte niet veroorzaakt, misschien een beetje verhaast en verergerd, maar een gezond mensch sterft niet door één koud waterbad . . . En 'k voelde al lang dat het komen moest, . . . dat het toch komen moest . . .

Toen had moeder haar zacht toegedekt, en uitgeput was ze weer vervallen in ijlkoortsen en niet meer bij kennis geweest.

Sluiten