Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Al wat haar toegewenscht is" sprak zij, „is heel mooi, goedheid, vriendelijkheid, verstand, schoonheid, macht, bekoorlijkheid, rijkdom, ja dat is zeer schoon, zij zal er echter maar kort van genieten. Op haar achttiende jaar zal de prinses zich aan een spinnewiel bezeer en en moet zij sterven".

Nadat zij deze hatelijke woorden geuit had, maakte zij met een grijnslach een spottende buiging voor de koning en koningin, en verdween even zoo geheimzinnig als zij gekomen was.

Er heerschte nu een groote droefheid in het paleis, iedereen stond verslagen en treurig. Ook de feeën waren zeer bedroefd, want hun wenschen hadden zij reeds geuit, en daar konden zij niets aan veranderen.

Terwijl iedereen stond te klagen en jammeren, keek de jongste fee dit tooneel bijna lachend aan, zij maakte nu de vingertjes van het kind, die zij nog altijd vast hield, uit haar hand los, en sprak zeer vriendelijk tot de koningin. „Maakt u niet zoo bedroefd, ik heb mijnen wensch nog niet aan het kind gegeven. Ik kan den wensch der booze vrouw voor een deel krachteloos maken. Wel zal de prinses zich op haar achttiende jaar aan een spinnewiel bezeeren, doch zij zal er niet aan sterven. Zij zal in slaap vallen, die honderd jaar zal duren. Al wat in het paleis aanwezig is zal in dien slaap deelen, opdat zij bij haar ontwaken niet eenzaam en verlaten zal zijn".

Hoewel deze openbaring der fee, nu wel een groote troost was, trok de koning het zich toch geweldig aan, dat zijn dochter honderd jaar zou moeten sla-

Sluiten