Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid betoonen. Gij wilt dus wel mijn zak dragen?"

„Ja wel," antwoordde Klaaske, die den zak opnam.

Maar de zak viel onzen jongen volstrekt niet mee; hij was zoo zwaar als lood, en het scheen hem toe alsof hem al de ribben kraakten, toen hij hem over den rug wierp. Doch wat zou hij doen? Hij had nu eenmaal dien last op zich genomen en kon nu moeilijk zijn woord terugnemen. Het zou ook onchristelijk zijn, dien zwaren last een gebrekkigen man te laten dragen. Zuchtende en zwoegende liep hij met zijn nieuwen reismakker voort, en menigmaal kwam de wensch bij hem op: „was ik maar te huis!"

Maar met schrik viel hem dan ook in: het slachtmes, het eindje touw, de toorn zijns vaders en de nare nacht te Katwijk.

Drie dagen later draafden twee ruiters langs den glibberigen weg, die van gene zijde van den IJsel bij Oudewater naar Boskoop liep. Het waren voorname mannen, blijkbaar aan hun rijke kleeding, schitterende wapenrusting en fraai getuigde paarden. Duidelijk was het, dat zij haast hadden, want van tijd tot tijd spoorden zij hun rossen aan, om sneller voort te komen.

„Ik wil hopen, Van Teilingen," zeide de een, een man met een streng uiterlijk, „dat de domproost Floris zijn maatregelen goed heeft genomen, en vooral, dat hij gezorgd heeft, dat er geen bespieders bij zijn schans gekomen zijn. Want zoo de bisschop van Utrecht weet, dat de bezetting te Boskoop slechts zoo zwak is, kan hij

Sluiten