Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dit, dat hij zich met het bewind over Friesland tevredenstelt en mij in het rustig bezit laat van de grafelijke kroon, die mijn gemalin van rechtswege toekomt. Maar waar blijft toch Heer Gerard Van Haarlem? Ik verlang zeer hem te zien. Hij is een aangenaam gezelschap en zou gewis dezen disch door zijn tegenwoordigheid nog meer opvroolijken."

Zooals het dikwijls gebeurt, dat, als men van afwezige personen spreekt, deze plotseling komen opdagen, zoo ook hier, want nauwelijks had Van Loon dit gezegd, of Heer Gerard Van Haarlem trad het vertrek binnen, doch tegen aller verwachting teekende zijn gelaat volstrekt geen opgeruimdheid. Hij groette Van Loon en de aanwezigen beleefd en bleef eenigszins verlegen aan den ingang staan.

„Hoe zoo bedrukt, Heer Gerard 1" voegde hem Van Loon toe. „En dat bij de algemeene vrooLijke stemming, die er niet alleen op de jaarmarkt, maar ook in ons midden heerscht. Verklaar ons dit verschijnsel."

„Vergeef het mij, heer graaf," sprak Heer Gerard, „maar de tijding, die ik u kom brengen, is wel ;u staat, om mij in zak en asch te doen nederzitten."

„Hoe zoo?" vroegen verscheidene stemmen te gelijk.

„Niets meer en niets minder," was Gerards antwoord, „dan dat Zeeland in vollen opstand is. De Zeeuwen hebben Hugo Van Voorne, die in uw naam, heer graaf, over hen het bevel voerde, verdreven en Willem van Friesland ontboden, dien zij opnieuw als graaf hebben gehuldigd. Willem heeft zich aan het hoofd eener geduchte krijgsmacht, louter uit Zeeuwen bestaande, geplaatst en rukt herwaarts."

Sluiten