Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij vreezen Willem, noch zijn Zeeuwen!" riep Van Loon uit. „Ik herhaal wat ik daar straks heb gezegd: wij zijn op onze hoede en zullen ons niet laten verschalken."

„Nog iets anders, heer graaf," vervolgde Gerard. „Ook de Kennemers zijn als een eenig man opgestaan, en zoowel Wouter Van Egmond als Filips Van Wassenaar en Albert Banjaard rukken met hun legerbenden aan. Van beide kanten, uit 't Noorden en Zuiden aangetast, vrees ik...

„Een graaf Van Loon kent geen vrees!" riep Van Loon uit. „Daarenboven onze krijgslieden zijn dapper, en met een bevelhebber als mijn vriend den hertog van Limburg, behoeven wij niet te vreezen, al kwamen ook de vijanden van alle vier windstreken."

„Ik neem de Kennemers voor mijn rekening!" riep de hertog van Limburg uit, „want ik brand van begeerte, mij met Wouter Van Egmond te meten. Hij is mij vergoeding schuldig voor het laatst geleden verlies."

„Mijne heeren," riep Van Loon uit, een beker opheffende, „ik vertrouw op uw moed, op de rechtvaardigheid onzer zaak, en met deze beide voor oogen zullen wij onzen vijand stoutmoedig onder de oogen zien. Ik drink op onze aanstaande overwinning en op de vernietiging onzer vijanden!"

„Leve Graaf Van Loon! Leve zijn gemalin!" riepen de edelen, de bekers zwaaiende.

Wat hielp het Gerard Van Haarlem, dat hij een weinig bedrukt zag! De algemeene vroolijkheid noopte hem, ook het glas op te heffen en op de aanstaande overwinning te drinken.

DB 9BIJL) OM KEN KROON.

Sluiten