Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thans — met een stuk brood er bij — gesmuld werd, behoef ik u niet te verzekeren.

Terwijl zij daar zoo vreedzaam bij elkander zaten, werd Klaaske eensklaps doodsbleek, begon te sidderen, alsof hem de koorts op het lijf werd geworpen, en liet vleesch en brood uit de hand vallen, terwijl hij een raadselachtig geluid maakte, dat te meer onverstaanbaar was. daar hij zijn mond nog vol had.

Klaas Janssen zag zijn zoon aan, en, ruw als hij was, greep hij den jongen bij den arm, zeggende:

„Wat zijn dat voor kuren! Is er een schapepoot in het verkeerde keelgat gekomen? Zeg!"

Klaaske was nog niet in staat te antwoorden, maar zijn hand uitstrekkende;, wees hij op een vrouw, die hem daareven was voorbijgegaan en die zich, toen zij het viertal had opgemerkt, met afgewend gelaat snel had verwijderd.

„Nu, wat zou dat wijf!" riep Klaas Janssen uit, „'t zal een zoetelaarster zijn, die spijs en drank verkoopt, of een vrouw, die haar man zoekt onder de dooden."

„Neen — neen!" stotterde Klaaske.

„Bulder dan op 1" riep Klaas Janssen gramstorig, „wie is zij?"

„De vrouw — van — Katwijk, in wier hut ik dien nacht "

„O, dat wijf ken ik!" zei Klaas Jansen, die reeds opgesprongen was. „Blijf hier maar stil zitten. Ik wil haar eens vragen wat er in dien nacht gebeurd is. Misschien brengt zij u dan eindelijk tot rust."

Klaas Janssen liep de vrouw achterna, maar tot zijn

Sluiten