Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, maar er zit wat anders binnen in. En weet je nu wel. van wie je die eigenlijk krijgt?"

„Wel, van jou natuurlijk."

Dirk schudde van neen.

„Van je ma."

Weer dezelfde ontkenning.

„Dan kan ik het niet raden."

„Neen, dat kun je ook niet. Eigenlijk heb je ze van mijn tante."

„En die ken ik niet eens, en zij kent mij niet."

„Ik vertelde wat van jou."

„Toch niet, dat 'k appels gegapt had uit jullie appelhof?" vroeg de arme jongen, en een blosje van schaamte kleurde zijn magere wangen.

„Ja., dat heb ik wel gezegd," bekende Dirk; maar hij kreeg ook een kleur; want nu voelde hij in eens, dat het niet mooi was geweest, dat hij dit verteld had.

„En vond ze dat niets?" informeerde Jan verder.

„Dat zei ze niet; maar ze zei: „Ik had je moeten vragen, om samen in de boomen te klimmen, om de laatste appels te krijgen. Ik weet niet "precies, wat ze nog meer zei; maar o, ik hou zooveel van haar. En 't is heelemaal niet waar, wat je mij verteld heb, dat ik in de stad niets mocht doen, niet eens hard mocht loopen. Ik ben zoo vaak in de boomen geklommen!"

„Ik vind jouw tante een lief mensch!" zei Jan in eens. „Toe, vertel mij nog eens, hoe 't in de stad was."

Nu ging Dirk aan 't vertellen, en Jan luisterde en maakte af en toe een opmerking of brak den draad van 't verhaal af door een vraag Toen hij over Polio begon, riep hij zegevierend uit: „En nu zal ik je eens laten zien, hoe Polio er uitziet 1"

Daar kwam de suikeren Polio uit den zak te voorschijn.

„O," zuchtte Jan, „wat een mooie hond. En heb je ook dien anderen, hoe heet hij maar weer?"

„Almaskus Puteanus van Varik," zei Dirk deftig. „Neen, dien heb ik niet. Dat was maar een logé, moet je weten. Zijn baas zal nu wel gauw terugkomen. Wat zal Almaskus dan in zijn schik wezen!"

Sluiten