Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of andere bijeenkomst in het open veld had opgedaan.

Terwijl dit tooneel plaats had in de hut van den slaaf, aanschouwen wij een van geheel anderen aard in de woning van den meester.

De heer Shelby zat in zijne eetzaal aan eene met papieren en schrijfgereedschap bedekte tafel. Tegenover hem stond een man, wiens voorkomen een groot contrast met het zijne vormde. Hij was kort en gedrongen, had ruwe, gemeene gelaatstrekken, die een winderige driestheid te kennen gaven en welke den man van lage afkomst kenmerkten, die zich met geweld in de wereld zoekt te verheffen. Op zijn gezicht lag een kwalijk verborgen glimlach van zelfvoldoening, die genoegzaam verried, dat hij zoo even een goeden koop had gesloten. De heer Shelby daarentegen was blijkbaar ontevreden, en naar zijn voorkomen te oordeelen, zou men gezegd hebben, dat zijn gevoel voor recht en billijkheid door een onaangenaam voorval geschokt was geworden. Hij was bezig om eenige papieren in te zien, die hij vervolgens aan den handelaar toereikte.

„Dat is alles in orde," zeide deze, „en ze behoeven dus nog maar alleen geteekend te worden."

De heer Shelby haalde de verkoopbrieven haastig naar zich toe en teekende ze met de drift van iemand, die zich gaarne van een onaangename zaak wil ontdoen, en schoof ze vervolgens met het geld weder terug. Haley haalde uit een versleten valies een perkament te voorschijn, dat hij, na het even te hebben ingezien, aan den heer Shelby ter hand stelde, die het met een blik van onderdrukten wrevel aannam.

„Wel, zoo is die zaak dan afgedaan," zeide de handelaar, opstaande.

„Zij is afgedaan," antwoordde Shelby op peinzenden toon, en terwijl hij diep ademhaalde, herhaalde hij: „Zij is afgedaan

Sluiten