Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want ieder woord, Chloé, dat gij tegen massa spreekt, gaat mij door het hart. Hij heeft veel voor ons gedaan, waarvoor wij hem dankbaar moeten wezen; maar wij kunnen daarom van hem niet verwachten, dat hij alles voor den armen Tom zal doen. Meesters zijn het gewoon, dat al die dingen voor hen gedaan worden en denken er dus niet veel aan. Men kan hen dit waarlijk niet kwalijk nemen. Plaats hem naast andere meesters —wie heeft zulk eene behandeling gehad als ik? — En hij zou ook dit niet gedaan hebben, indien hij het vroeger had voorzien, dat weet ik zeker.''

„Maar het is en blijft toch slecht, zeg ik," antwoordde Tante Chloé, bij wie aangeboren gevoel van rechtvaardigheid een kenmerkende trek was. „Ik kan wel niet precies zeggen waar het zit, maar onrechtvaardig is het."

„Gij moet opzien tot den Heer, Chloé; Hij is boven allen, en zonder Zijnen wil valt er geen muschje op aarde."

„Dat kan mij niet troosten, en toch gevoel ik, dat het zoo moet zijn," zeide Tante Chloé. „Maar daar is geen tijd tot praten; ik zal den korenkoek opwarmen en je een goed ontbijt gereed maken; want wie weet, wanneer men je weer wat te eten geven zal."

Ten einde zich een denkbeeld te kunnen maken van het lijden dat de negers gevoelen bij de vrees voor het zuiden, moeten wij doen opmerken, dat allen, die tot dat ras behooren, met een bizonder sterk gevoel zijn begaafd. Zij hechten zich zeer aan hunne woonplaats, en schoon van natuur niet moedig of ondernemend, zijn zij zeer huiselijk en vatbaar voor teedere liefde en genegenheid. Yoeg bierbij al de verschrikkingen, waarmede de onwetendheid het onbekende omhult, en tevens, dat den neger van kindsbeen af het vertrek naar het zuiden als de ergste straf wordt voorgehouden. De bedreiging, die meer verschrikt dan de geeseling, is die van „de rivier te zullen worden afgezonden". Wij hebben hen dit zeiven

Sluiten