Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat! durft gij zoo op het laatste ontbijt aanvallen, dat uw arme vader thuis zal nuttigen?"

„Och, Chloé!" zeide deze zuchtend.

„Nu, ik kan het niet helpen," snikte Tante Chloé, terwijl zij haar gelaat met haar voorschoot bedekte. „Ik ben zoo ontdaan, het maakt mij zoo driftig!"

De knapen bleven staan, zagen eerst hun vader, vervolgens hun moeder aan, terwijl het kleine meisje, dat zich aan hare kleederen vastklemde luide begon te schreien.

„Zoo," zeide Tante Chloé, hare oogen afwisschende en het kind in de armen nemende, „nu is het gedaan; — kom, eet nu toch iets; het is mijn beste kip. Ziedaar, jongens, gij moet toch ook iets hebben, arme stumpers. Moeder is zonder reden boos geweest."

De knapen behoefden geen tweede uitnoodiging en gingen met grooten ijver aan het werk, en zij deden hier wel aan, daar er anders zeker weinig van den maaltijd gebruikt zou zijn.

„Nu," zeide Tante Chloé van het ontbijt opstaande, „nu moet ik je kleeren inpakken. Maar ik gevoel er bijna geen lust toe, want hij zal je alles ontnemen; — ik weet hoe zij handelen. Zie, daar in den hoek is je flanellen hemd tegen de aanvallen van jicht — wees er zuinig mee, want niemand zal je voortaan nieuwe maken. Hier zijn de andere oude en daar de nieuwe hemden. Ik heb de kousen gisteravond gestopt en er een kluwen katoen bij gedaan. Maar, och Heer, wie zal ze in het vervolg voor je stoppen?" En Tante Chloé werd weder door hare aandoeningen overweldigd, legde haar hoofd tegen de doos aan en snikte. „O, 't is zoo hard, te moeten denken, dat niemand je zal oppassen, om 't even of je ziek of gezond bent! Och, ik weet waarlijk niet of ik nu nog wel goed kan wezen!"

Nadat de knapen alles hadden opgegeten, wat de ontbijttafel hun aanbood, begonnen zij er meer bedaard over na te denken, wat er toch wel mocht voorgevallen zijn,

Sluiten