Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er volgde nu een pijnlijke stilte in het gezelschap. Eindelijk stond St. Clare op, zag op zijn horloge en zeide dat hij om bezigheden genoodzaakt was uit te gaan. Eva trippelde hem na, en juffrouw Ophelia en Marie bleven alleen aan de tafel zitten.

„Zoo doet St. Clare altijd!" zeide de laatste, terwijl zij haar zakdoek driftig neerwierp, nadat de schuldige vertrokken was. „Nimmer erkent hij wat ik reeds sedert tien jaren heb geleden en hij zal dat ook nimmer doen. Indien ik iemand was van die soort, die altijd klagen, of altijd van hun ziekte spreken, dan zou ik zeggen, dat zijn gedrag eenigszins te verschoonen was, want de mannen hebben over het algemeen een afkeer van klagende vrouwen. Maar ik heb alles voor mij zelve gehouden en zoolang gedragen, totdat St. Clare mij eindelijk in staat gelooft om alles te kunnen verduren."

Juffrouw Ophelia scheen niet recht te begrijpen welk antwoord er van haar verwacht werd.

Terwijl zij er nog over nadacht wat zij zeggen zou, wischte Marie haar tranen weg en streek haar haren glad op een wijze als men dat ziet van een duif, wier vederen door een regenbui zijn nat geworden Vervolgens begon zij een huishoudelijk gesprek met Ophelia over pottekasten, linnenpersen, provisiekamers en andere soortgelijke dingen, die volgens onderling goedvinden aan het bestuur van de laatste zouden worden overgelaten, waarbij zij haar zoovele raadgevingen en opmerkingen gaf, dat een minder aan bezigheden gewend hoofd dan dat van Ophelia zeker geduizeld zou hebben.

„En nu," zeide Marie, „geloof ik u alles gezegd te hebben van 't geen gij moet weten, zoodat gij, wanneer ik weder door mijn gewone ziekte word aangetast, zeker uw eigen gang kunt gaan, zonder mij te moeten raadplegen; maar wat Eva betreft, zij vereischt bizonder toezicht."

Sluiten