Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij zijn allen zoo slecht, zoo valsch, zoo bedriegelijk en zoo traag!"

„Al weder de oude dreun!" riep St. Clare uit, terwijl hij luchtig de kamer binnenstapte. „Wat vreeselijk groote verantwoording zullen die arme schepsels hebben af te leggen, vooral omdat zij zoo traag zijn! Gij ziet, nicht," vervolgde hij zich in zijn volle lengte op een rustbank tegenover zijn vrouw uitstrekkend, „die traagheid is ten eenenmale onverschoonbaar in hen, als wij denken aan het heerlijk voorbeeld, dat Marie en ik hun geven."

„Ei kom, St. Clare, je maakt het nu al te erg!" zeide Marie.

„Inderdaad? Mij dacht anders, dat ik nu op een voor mij zeer verstandige wijze sprak! Ik geef mij altijd alle mogelijke moeite om je aanmerkingen kracht bij te zetten, Marie."

„Je weet toch wel, dat je er niets van meent, St. Clare," antwoordde Marie.

„Och, dan moet ik mij wezenlijk vergist hebben. Ik dank je, lieve, dat je mij terecht gewezen hebt."

„Je schijnt heden inderdaad van plan te zijn om mij te plagen," zuchtte Marie.

„Kom, kom, Marie, het begint een warme dag te worden, en ik heb juist zoo even een hevige twist met Dolf gehad, waardoor ik vreeselijk vermoeid ben geworden; wees dus zoo goed en laat een arm man als ik in het schijnsel van je vriendelijken glimlach een weinig uitrusten."

„Wat was er dan nu weder met dien Adolf te doen?" vroeg Marie. „De vermetelheid en onbeschaamdheid van dien knaap beginnen zoo groot te worden, dat die inderdaak niet meer te verdragen zijn. Ik wou dat hij maar voor een korte poos geheel aan mij werd overgelaten — ik zou wel weten, hoe ik hem terecht moest zetten."

„Wat je daar zegt, mijn waardste, toont weder je scherpzinnigheid en je gezond verstand!" zeide St. Clare. „En

Sluiten