Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat nu Dolf betreft, de zaak is deze. Hij heeft zich er zoolang op toegelegd om mijn bevalligheden en volmaaktheden na te volgen, dat hij eindelijk zoo ver is gekomen om te meenen, dat hij zelf de meester en geen Adolf meer is, en dus ben ik genoodzaakt geweest, hem een kleine terechtwijzing over deze dwaling te geven."

„Hoe?"

„Wel, ik was verplicht om hem duidelijk te doen verstaan dat ik enkele van mijn kleeren voor mijn persoonlijk gebruik verlangde te houden; ook heb ik hem op een rantsoen van eau de cologne gesteld, en was zelfs zoo wreed om hem niet meer dan een dozijn van mijn beste zakdoeken te gunnen. Dolf was daarover niet weinig boos, en ik moest als een vader met hem spreken om hem weder tot bedaren te brengen."

„O, St. Clare, wanneer zal je toch met je bedienden verstandig leeren omgaan? Het is een schande, dat ge zoo toegeeflijk jegens hen zijt!" zuchtte Marie.

«Welnu, wat is er eigenlijk voor kwaad in, dat die arme jongen behoefte gevoelt om aan zijn meester gelijk te zijn? En wanneer ik hem geen betere opvoeding heb gegeven, dan om zijn hoogste geluk en zaligheid in reukwater en zakdoeken te vinden, waarom zou ik hem die dan niet geven?"

„En waarom heb je hem dan op die wijze grootgebracht?" vroeg julïrouw Ophelia op stouten en onderzoekenden toon.

„Het was te veel moeite, lieve nicht, te veel moeite, en de schuld van onze traagheid, die alleen meer zielen bederft dan gij zoudt kunnen redden. Waarlijk, geloof mij, indien ik zoo traag niet was, dan zou ik werkelijk een engel zijn. Ik begin haast te gelooven, dat je goede dokter Botherem in Vermont gelijk had, toen hij de traagheid een wortel van alle kwaad noemde. Waarlijk, het is een ontzettende gedachte."

„En ik geloof dat gij slavenhouders een ontzettende

OOM TOM. 7

Sluiten