Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verantwoording op u laadt," zeide juffrouw Ophelia. „Ik wilde voor geen duizend werelden, dat ik die moest dragen. Gij behoort uwe slaven op te voeden en te behandelen als uw medemensehen, van welke gij voor Gods rechterstoel rekenschap zult moeten geven. Dat is mijn gevoelen," verklaarde de goede dame, terwijl zij lucht gaf aan den stroom van haar drift, die zich gedurende den morgen in haar gemoed had opgehoopt.

„Ei wat, ei wat," zeide St. Clare, haastig opstaande, „hoe kunt gij over ons oordeelen?" En met deze woorden trad bij op de piano toe, om een vroolijke aria te spelen. St. Clare had een bizonderen smaak voor muziek. Zijn hand was vlug en vast, en zijn vingers gleden met de snelheid van een vogel over de toetsen, zonder dat hij een enkelen misgreep deed. Hij speelde het eene stuk na het andere als iemand, die zich met geweld door de muziek in een vroolijk humeur zoekt te brengen. Na de muziek ter zijde geschoven te hebben, stond hij op en zeide vroolijk: „wel, beste nicht, je hebt ons een goede les gegeven, en je plicht gedaan, ik acht er je te meer om. Ik twijfel er niet aan, of je hebt mij een echten diamant van waarheid naar het hoofd geworpen, ofschoon ik er zoo rechtstreeks door in het gezicht getroffen ben, dat ik die niet dadelijk naar waarde op prijs wist te stellen."

„Ik voor mij zie weinig of geen nut in al die woorden," merkte Marie aan. „Indien iemand meer voor zijn bedienden doet dan wij doen, zoo mocht ik waarlijk wel eens weten wie dat zou zijn, en het baat toch ook niets, in het geheel niets — zij worden nog hoe langer hoe slechter. Wat de noodzakelijkheid betreft van tot hen te spreken, ik ben overtuigd, dit gedaan te hebben tot ik moe en heesch was; ik heb bun hunne plichten en zoo al meer voorgehouden, en zij hebben vrijheid om naar de kerk te gaan wanneer zij verkiezen, ofschoon zij geen enkel woord van de preek verstaan, ja weinig meer dan jonge biggen, en dus is het

Sluiten