Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook al van weinig nut voor hen of zij er heen gaan of niet; doch zij doen het en kunnen er dus hun voordeel van hebben; maar zooals ik zeide, zij zijn een ontaard ras en zullen dit altijd blijven, zoodat er ook niets voor hen te doen is; gij kunt een proef met hen nemen wanneer gij dat verkiest, maar het zal u niet baten. Gij hoort, nicht Ophelia, dat ik het beproefd heb, en gij nog niet. Ik werd in hun midden geboren en opgevoed — ik verzeker u, dat ik hen ken."

Juffrouw Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en bewaarde daarom het stilzwijgen. St. Clare floot een deuntje.

„St. Clare, ik wenschte wel dat je ophield met fluiten," zeide Marie; „mijn hoofdpijn wordt er erger door."

„Ik zal niet meer fluiten," antwoordde St. Clare. „Is er ook nog iets anders, dat je zoudt wenschen dat ik niet deed ?"

„Ik wenschte wel, dat je wat meer mededoogen met mijn lijden hadt; je betoont mij nimmer eenig gevoel."

„Ach, mijn allerbeste, beschuldigende engel!" zeide St. Clare.

„Het is tergend om op zulk een wijze aangesproken te worden."

„Hoe verkies je dan dat ik tot je spreek? Ik zal gehoorzamen ; zeg mij slechts op welk een wijze ik je voldoening schenken kan."

Op dit oogenblik klonk een vroolijk gelach van buiten door de zijden gordijnen der veranda. St. Clare deed eenige schreden voorwaarts, lichtte het gordijn op en begon insgelijks te lachen.

„Wat is er?" vroeg juffrouw Ophelia, insgelijks naar de deur toetredende.

Daar zat Tom op een kleine zodenbank aan het einde van het grasperk; al zijn knoopsgaten waren van Kaapsche jasmijnen voorzien, terwijl Eva vroolijk lachende hem een krans van rozen om den hals hing en zich ver-

Sluiten