Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens als een dartel vogeltje op zijn knie zette.

„O, Tom, wat zie je er toch koddig uit!" riep zij, in de handen klappende, uit.

Er lag een zachte, welwillende glimlach op het gelaat van Tom, wien de grap evenzeer, als zijn jonge meesteres scheen te bevallen. Hij sloeg zijn oogen, toen hij haar vader ontdekte, met een half smeekenden, half om verschooning vragenden blik op.

„Hoe kunt ge zoo iets toelaten ?" vroeg juffrouw Ophelia.

„En waarom niet?" zeide St. Clare.

„Wel, dat is immers allerzotst."

„Je zoudt er toch geen kwaad in zien, dat een kind een grooten hond, al ware het ook een zwarten, liefkoosde; maar nu zij het een wezen doet, 't welk denken en redeneeren en gevoelen kan, en dat onsterfelijk is, nu huiver je; beken dit maar, nicht! Ik ken de onder de bewoners van het Noorden heerschende begrippen zeer goed. Ik zeg niet, dat er eenige deugd is in onze wijze van handelen, maar de gewoonte doet bij • ons wat het werk van het Christendom behoorde te wezen. Ik heb gedurende mijn reizen in het Noorden opgemerkt, hoe veel sterker dit vooroordeel daar was dan hier bij ons. Gij verafschuwt hen, gelijk gij het een slang of een pad zoudt doen, en toch zijt ge verontwaardigd over het ongelijk, dat zij moeten verduren. Gij wilt hen niet mishandeld zien, maar ge wenscht zelf ook niets met hen te doen te hebben. Gij zoudt hen naar Afrika zenden, opdat gij hen maar niet meer zien of ruiken mocht, en hen later doen volgen door een paar zendelingen, die de voldoening konden smaken, van hen daar ginds op te voeden. Is het niet zoo ?

„Ja, neef," antwoordde Ophelia, „daar is misschien wel iets waars in gelegen."

„Wat zouden die armen en nederigen zijn zonder de kinderen ?" vervolgde St. Clare, zich over de leuning heenbuigende en de oogen op Eva vestigende, terwijl zij

Sluiten