Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter zijde zetten en ons vreedzaam aan tafel begeven."

Toen juffrouw Ophelia zich later op den middag in de keuken bevond, hoorde zij eenige der zwarte kinderen uitroepen: „Kijk, daar komt Prue aan! Zij slingert weer langs den weg, net als zij gewoonlijk doet."

Een lange, magere, gekleurde vrouw trad de keuken binnnen, die op haar hoofd een mand met beschuit en warme rolkoekjes droeg.

„Ha, Prue, ben je daar?" riep Dinah haar te gemoet.

Prue had eene wrevelige uitdrukking in haar gelaat, en daarbij een onbehagelijke, knorrige stem. Zij plaatste haar mand op den grond, zette zich neder en zeide, terwijl zij met de ellebogen op de knieën leunde:

„Ik wou dat ik dood was."

„En waarom wou je dat?" vroeg juffrouw Ophelia.

„Dan was ik van al mijne ellende bevrijd," zeide de vrouw verdrietig, zonder haar oogen van den vloer op te heffen.

„Waarom moet je ook altijd dronken zijn en je aan straf blootstellen, Prue?" zeide een opgesmukte kamermeid, terwijl zij met een paar koralen oorbellen rammelde.

De vrouw zag haar met een grimmig gezicht aan.

„Het kan met jou ook nog wel eens zoo ver komen," zeide zij, „en ik zou daar recht blij om wezen, en dan zal je je, evenals ik, verheugen, dat je je ellende kunt vergeten."

„Kom Prue," zeide Dinah, „laat ons eens in je mand zien. De juffrouw zal je wel betalen."

Ophelia nam een paar dozijn beschuiten uit den mand.

„Er liggen nog eenige kaartjes in dien ouden gebroken pot op de bovenste plank," zeide Dinah. „Komaan, Jane, klim er eens bij en geeft ze mij."

„Kaartjes? Waartoe dienen die?" vroeg juffrouw Ophelia.

„Wij koopen kaartjes van haar meester en zij geeft ons brood daarvoor in de plaats."

Sluiten