Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

TOPSY.

Op zekeren morgen, toen juffrouw Ophelia druk bezig was met haar huiselijke werkzaamheden, hoorde zij zich op eens door St. Clare toeroepen:

„Kom toch spoedig eens beneden, nicht, ik moet je iets laten zien."

„Wat is het dan?" vroeg Ophelia, terwijl zij met haar naaiwerk in de hand de trap afging.

„Ik heb een koopje voor u in het bizonder gedaan," antwoordde St. Clare en met deze woorden toonde hij haar een klein negermeisje van omstreeks acht of negen jaren.

Zij was een der zwartsten van haar ras, en baar ronde, flikkerende oogen, die als glazen kralen glinsterden, zwierven met haastige rustelooze blikken door het vertrek. Haar mond, half geopend van verbazing bij het zien van al de wonderen, die zich in het spreekvertrek van den nieuwen meester bevonden, vertoonde een dubbele rij schitterend witte tanden. Haar wollig haar was in verscheidene korte staarten gevlochten, die naar alle zijden uitstaken. In haar gelaat lag een zonderlinge mengeling van schranderheid en sluwheid, waarover een sluier lag van somberen ernst en koddige deftigheid. Zij droeg een morsig, verscheurd, uit zaklinnen vervaardigd kleed, terwijl zij de handen ootmoedig gevouwen over de borst had geslagen. Er was over het geheel iets belachelijks en spookachtigs tevens in haar voorkomen, iets, gelijk juffrouw Ophelia zich later uitdrukte „zoo heidensch," dat de goede dame daardoor met de grootste walging werd vervuld; en terwijl zij zich nu tot St. Clare wendde, zeide zij:

Sluiten