Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest, dan zou hem dit zelfs zeer waarschijnlijk, zijn voorgekomen.

„Soms komen zij tot mij als ik slaap, die geesten," zeide Eva, wier oogen een zonderlinge uitdrukking aannamen, terwijl zij op zachten toon neuriede:

Zij roeren blij de zilv'ren snaren,

En zegepalm omkranst hun haar.

„Oom Tom!" zeide het meisje, „ik ga ook daarheen."

„Waarheen, jongejuffrouw Eva?"

Het kind stond op en wees met haar kleine hand naar boven. De glans van de avondzon scheen haar gouden lokken en gloeiende wangen met een soort van bovenaardsch licht te bestralen, en haar oogen waren vol ernst op de wolken gericht.

„Daarheen ga ik, Oom Tom," zeide zij, „naar die heilige geestenscharen, en ik ga er spoedig heen."

Het oude trouwe hart van Tom gevoelde plotseling een zekere angstige beklemming en het schoot hem nu te binnen, hoe jdikwijls hij had opgemerkt in de laatste zes maanden, dat Eva's kleine handen magerder, haar huid doorschijnender en haar ademhaling korter geworden was, en hoe zij tegenwoordig door het loopen en spelen in den tuin dadelijk vermoeid en afgemat werd, terwijl haar dit vroeger uren achtereen niet te veel was geweest. Hij had juffrouw Ophelia dikwijls van zekeren kuch hooren spreken, die het kind door allerlei soort van geneesmiddelen niet kon worden afgenomen, en ook nu brandden haar wangen en banden koortsachtig; maar toch was de gedachte, die in Eva's woorden lag opgesloten, nooit eerder dan thans bij hem opgekomen.

De samenspraak tusschen Tom en Eva werd afgebroken door een haastig geroep van de bezorgde nicht Ophelia.

„Eva! Eva! kind er valt zulk een dauw — je moet niet langer buiten blijven!"

OOM TOM. 12

Sluiten