Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Henrique," zeide bij tot zijn neef, „Je moet voorzichtig met Eva zijn en niet weer zoo hard met haar rijden."

„Ik zal voor haar zorg dragen," zei Henrique, terwijl hij zich bij haar neerzette en haar hand vatte.

Eva herstelde zich intusschen spoedig. Haar vader en oom hervatten hun spel, en de kinderen werden aan zich zeiven overgelaten.

„Ik moet je zeggen, Eva," zeide Henrique, „dat het mij spijt, dat papa hier maar twee dagen denkt te blijven, en dat ik je dan in zoo langen tijd niet zal weer zien? Kon ik bij je blijven, dan zou ik ook probeeren goed te worden; ik zou Dodo niet meer slaan, en alles doen wat je wilt. Ik wil heusch niet slecht zijn tegen Dodo, maar zie je, ik heb nu eenmaal zoo'n driftig gestel; daarom meen ik het niet kwaad met hem. Ik geef hem nu en dan wat zakgeld, en, je ziet dat hij goed gekleed gaat. Mij dunkt, dat Dode over 't geheel een best leven heeft."

Zou je dan meenen, dat je een goed leven hadt, Henrique, wanneer niemand op de geheele wereld je liefhad?"

„Ik? Wel neen, natuurlijk niet!"

„En Dodo is afgescheurd van al zijn familie en vrienden die hij ooit had; en nu is er niemand meer, die om hem geeft; — neen, zoo iemand kan niet goed wezen."

„Nu, maar dat kan ik toch, voorzoover ik weet, niet helpen, Eva. Ik kan zijn moeder niet koopen en noch ik, noch iemand anders kan hem toch liefhebben."

„En waarom kan je dat niet?" vroeg Eva.

„Dodo liefhebben! wel, Eva, dat zou je toch niet van mij willen vergen! Ik mag hem wel lijden, dat is waar; maar men kan zijn bedienden toch niet liefhebben!"

„En ik heb hen toch lief," verzekerde Eva.

„Hoe dwaas!"

„Leert de Bijbel ons dan niet, dat wij alle menschen moeten liefhebben?"

„De Bijbel, o ja! Die zegt zooveel; maar niemand denkt

Sluiten