Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo vurig beminde en die haar zoo innig liefhadden.

Want het kind, hoe teeder ook verzorgd, hoe schoon zich ook aan haar oog het leven vertoonde, dat haar al de zegeningen van de liefde en den rijkdom aanbood, gevoelde niet de minste smart bij de gedachte dat zij ging sterven.

In dat boek, 't welk zij en haar eenvoudige vriend zoo dikwijls met elkander hadden gelezen, had zij het beeld aanschouwd en leeren kennen van Hem, die de kinderen liefhad, en hoe langer zij nadacht en peinsde, hoe meer Hij ophield, voor haar een beeld uit het verledene te zijn, maar een levende, alles bezielende werkelijkheid. Zijn liefde vervulde haar hart met meer dan sterfelijke liefde, en naar Hem en Zijn huis, zeide zij, dat zij ging.

Maar haar hart bekommerde zich liefdevol om allen, die zij hier zou moeten achterlaten. Bovenal gold dit haar vader; want Eva gevoelde instinktmatig dat zij meer dan iemand anders voor haar vader was. Zij beminde haar moeder, omdat geheel haar wezen liefde was, en al de zelfzucht, die zij in haar had gezien, had haar enkel bedroefd en neergedrukt, terwijl zij het kinderlijk vertrouwen koesterde, dat haar moeder geen kwaad kon doen. Er lag iets in het karakter van Marie, dat Eva niet begrijpen kon, maar bij alles leidde haar de gedachte, dat het haar mama was, en daarom reeds had zij haar innig lief.

Ook klopte haar hart voor die goede en getrouwe bedienden, voor welke zij als 't ware daglicht en zonneschijn was. Zij koesterde een onbepaalden wensch, om iets goeds voor hen te doen; zij wilde niet alleen zoo gaarne hen redden en zegenen, maar ook allen, die zich met hen in denzelfden toestand bevonden; en dit was een wensch, die op een treurige wijze streed met het gevoel van haar eigen zwakke krachten.

„Oom Tom!" zeide zij op zekeren dag, toen zij haar trouwen vriend voorlas, „nu begrijp ik het, waarom de Heer Jezus voor ons wilde sterven."

Sluiten