Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarheen mijn kind?" vroeg St. Clare.

„Naar het huis van onzen Zaligmaker; het is daar zoo heerlijk en zoo vreedzaam! het is daar alles liefde!" Het kind sprak zonder het te weten als van een plaats, waar zij reeds dikwerf was geweest. „Verlangt u ook niet daarheen te gaan, papa?" vroeg zij verder.

St. Clare trok haar dichter bij zich, maar zweeg.

„U zal bij mij komen!" zeide het kind op dien toon van kalme zekerheid, dien zij zoo dikwijls buiten haar weten kon aannemen.

„Ik zal bij je komen. Ik zal je niet vergeten."

De schaduwen van den plechtigen avond sloten zich al meer en meer rondom hen, terwijl St. Clare haar zwakke, tengere gestalte zwijgend aan zijn borst drukte. Hij zag die sprekende oogen niet meer, maar haar stem klonk hem als die van een hemelschen geest in de ooren, en als in een oogenblik des oordeels verrees geheel zijn vervlogen leven voor zijn oogen; de gebeden en zangen van zijn moeder, zijn eigen vroegere wenschen en zijn streven naar het goede, en tusschen dien tijd en deze oogenblikken lagen jaren van wereldschgezindheid en ongeloof — lag een leven, dat voornaam en fatsoenlijk wordt geheeten. Veel, zeer veel kunnen wij in een enkel oogenblik overdenken. St. Clare zag en gevoelde vele dingen, maar hij sprak niet, en toen de duisternis toenam, bracht hij het kind naar haar slaapkamer, en toen zij was uitgekleed, zond hij haar bedienden weg, wiegde haar in zijn armen en zong haar voor, totdat zij in slaap viel.

Sluiten