Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat moge waar zijn, maar daarom is het niet minder zwaar om er in te berusten," antwoordde hij op een drogen, harden, gedwongen toon, terwijl hij zich terzijde afwendde.

„Papa, het hart breekt mij om uwentwil!" zeide Eva, terwijl zij opstond en zich in zijn armen wierp; u moet zoo niet spreken, zulke gevoelens moet ge niet koesteren!" En het kind snikte en weende met een heftigheid, die allen verontrustte, en waardoor haar vaders gedachten op een ander punt werden gericht.

„Bedaar, liefste, beste Eva, bedaar!" zeide hij eindelijk kalmer. „Ik had ongelijk, het was verkeerd. Ik wil anders spreken en anders denken en voelen; maar wees niet ongerust over mij — schrei niet zoo. Ik zal onderworpen wezen; het was, ik beken het, goddeloos van mij, zoo te spreken."

Eva lag weldra als een vermoeide duif afgemat in haar vaders armen, en terwijl hij zich over haar heenboog, sprak hij haar ieder teeder en vertroostend woord toe, dat hij slechts kon bedenken.

Marie stond op, stormde uit het vertrek naar haar eigen kamer, waar zij het hevig op de zenuwen kreeg.

„Je hebt mij geen haarlok gegeven, Eva," zeide haar vader, treurig glimlachende tot het kind.

„Zij zijn immers allen van u," antwoordde zij, insgelijks met een zachten glimlach; „zij behooren aan u en aan mama, en u moet er mijn lieve Tante Ophelia zooveel van geven als zij wil. Ik heb ze zelf slechts aan onze bedienden gegeven, omdat, gelijk u weet, zij anders na mijn heengaan misschien vergeten zouden worden, en omdat ik hoopte, dat het hen mocht helpen denken.... U is een Christen, niet waar, papa, dat is u immers?" vroeg Eva op twijfelenden toon.

„Waarom vraag je mij dat, Eva?"

„Ik weet het niet recht. U is zoo goed; ik weet niet waarom u het niet zou wezen."

Sluiten