Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jongejuffrouw Eva spreekt tot mij. De Heer zendt zijn boden aan de ziel. Ik moet hier zijn juffrouw Feely; want wanneer dat gezegende kind het koninkrijk binnengaat, zal het ons vergund zijn, de heerlijkheid daarvan te aanschouwen, juffrouw Feely."

„Oom Tom, heeft Eva gezegd, dat zij zich van avond minder dan anders gevoelde?"

„Neen dat niet; maar zij zeide mij van morgen, dat zij den Hemel naderbij gekomen was."

Dit gesprek werd op zekeren avond tusschen tien en elf uur door juffrouw Ophelia en Oom Tom gehouden, nadat alle noodige schikkingen voor den nacht gemaakt waren, en toen de eerste bij het sluiten der buitendeur den laatste in de veranda uitgestrekt voor zich zag liggen.

Juffrouw Ophelia was niet zwak van zenuwen of licht vatbaar voor indrukken; maar deze plechtige, hartroerende handelwijze trof haar diep. Eva was dien middag ongemeen opgeruimd en helder van geest geweest, zij had overeind in haar bed gezeten en al haar speelgoed en andere kostbare zaken nagezien, en opgegeven, onder wie van haar vrienden die verdeeld zouden worden. Geheel haar gedrag was bij dat alles ongemeen levendig, haar stem sterker en helderder geweest dan in vele der laatste weken. Haar vader was gedurende den avond bij haar geweest, en had gezegd, dat Eva weer meer dezelfde scheen van vroeger, vóór de ziekte haar had aangetast; en toen hij het kind goeden nacht had gekust, had hij tot juffrouw Ophelia gezegd; „Ik geloof eindelijk toch nog, dat wij haar bij ons zullen houden; zij schijnt mij inderdaad veel beter toe," en hij was met deze woorden naar zijn eigen kamer gegaan met een veel lichter hart, dan in de laatste weken het geval was.

Maar te middernacht — in dat vreemde, geheimzinnige uur, wanneer de sluier tusschen het wankele heden en de eeuwige toekomst schijnt weg te vallen, toen kwam de bode.

Sluiten