Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gezegend zij de Heer! het is voorbij, het is voorbij, beste meester!" zeide Tom. „Zie haar maar aan!"

Het kind lag als uitgeput op haar kussens; haar oogen openden zich en waren vol uitdrukking. O, wat zeiden deze oogen, die ongetwijfeld van den hemel spraken! Dit aanzijn met alle aardsche smarten was voor haar voorbijgegaan; maar de zegevierende schoonheid van haar gelaat was zoo plechtig, zoo geheimzinnig, dat zelfs het klagen der rouw daardoor ophield. Allen stonden in ademlooze stilte rondom het sterfbed geschaard.

„Eva! Eva!" riep St. Clare zacht.

Maar zij hoorde niet.

„O Eva, zeg ons wat je ziet! Wat is het T" vroeg haar vader.

Een vroolijke, zegevierende glimlach vertoonde zich op haar gelaat; met afgebroken klanken stamelde zij: „O, liefde — vreugde, vrede!" — nog eenmaal zuchtte zij, en zij was van den dood in het leven overgegaan.

Vaarwel, geliefd kind! de eeuwige heerlijke poorten des hemels hebben zich achter u gesloten; wij zullen uw zacht, beminnelijk gelaat hier beneden niet meer aanschouwen. Maar ach, wee dengenen, die u de gewesten der eeuwigheid zagen ingaan, zoo zij weder ontwakende uit de bedwelming van dit oogenblik, niet meer zien dan de grauwe koude hemel des dagelijkschen levens, waaraan nw gestarnte thans niet meer schittert!

HOOFDSTUK XVIII.

HET LAATSTE VAN DE AARDE.

De beelden en schilderijen werden met wit omhangen; men hoorde slechts fluisterende woorden en aarzelende

Sluiten