Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hij wankelde, toen hij aan de zijde der anderen had plaats genomen, naar een plekje aan het einde van den tuin, waar bij de bemoste bank, op welke zij dikwijls met Tom had zitten praten, lezen en zingen, haar graf gedolven was. St. Clare stond aan de zijde van dengeopenden kuil; hij blikte verstrooid in het rond; hij zag de kleine kist in de aarde nederdalen; hij hoorde de plechtig uitgesproken woorden der Schrift: „Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven," en toen het kleine graf eindelijk was gevuld, kon hij zich ternauwernood verbeelden dat het zijn Eva was, die men aan zijn gezicht had onttrokken.

Maar dat was Eva ook niet! Het was alleen het kleine, zwakke vergankelijke zaad van de verheerlijkte, onsterfelijke gestalte, met welke zij in den dag des Heeren zal verrijzen.

En toen gingen allen weder hun eigen weg, en de rouwdragers keerden terug naar de plaats, die haar niet meer zou kennen, en Marie's kamer werd gesloten, en zij legde zich te bed, zuchtende en kermende van onbeteugelde smart en ieder oogenblik roepende om bijstand van haar bedienden. Dezen hadden natuurlijk geen tijd tot weenen, en waarom zouden zij dan ook eigenlijk weenen? De smart was alleen haar smart, en zij was ten volle overtuigd, dat niemand die zoo gevoelde, of kon en wilde gevoelen als zij.

„St. Clare stortte geen enkelen traan," zeide zij; „hij voelde niet met haar meê; het was verbazend, hoe ongevoelig en hardvochtig hij was, terwijl hij toch weten moest, hoeveel zij leed," en dergelijke klachten meer.

En zoozeer zijn de menschen de slaven van hun oog en oor, dat vele der bedienden inderdaad meenden, dat mevrouw de grootste lijderes in dit geval was, te meer daar Marie nu zenuwachtige toevallen begon te krijgen, om den dokter zond, en eindelijk ronduit verklaarde, dat zij in stervenden toestand verkeerde, zoodat er in het

Sluiten