Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te volgen, had hem nu eenige uren geleden zijn boekerij zien binnengaan, en na vruchteloos op zijn terugkomst gewacht te hebben, besloot hij om een boodschap bij hem te maken. Zachtjes trad hij het vertrek binnen. St. Clare lag op de rustbank aan het uiterste eind van de kamer. Hij hield het gelaat met zijn handen bedekt, mi een weinig van hem af, lag Eva's geopende bijbel. Tom naderde en bleef bij de sofa staan. Hij aarzelde, maar terwijl hij het niet waagde om te spreken, richtte St. Clare zich eensklaps op. Het eerlijke gelaat van den slaaf, zoo vol diepe smart en met zulk een smeekende uitdrukking van liefde en medegevoel, trof den meester tot in zijn ziel. Hij reikte Tom de hand en boog zijn hoofd daarop neder.

„O, Tom, mijn vriend, de wereld is voor mij zoo ledig als een woestijn!" zuchtte hij.

„Ik weet het, massa, ik weet het," antwoordde Tom. „Maar o, indien massa kon opzien naar boven, waar onze dierbare juffrouw Eva is, en opzien tot den goeden Heer Jezus!"

„Ach, Tom! ik zie wel op, maar mijn oog ontdekt daar niets. Ik wenschte dat het anders was!"

Tom loosde een diepen zucht.

„Het schijnt den kinderen en zulken eenvoudigen van hart als gij zijt, gegeven, om te zien wat voor ons een geheim is," zeide St. Clare. „Hoe komt dit toch?"

„Gij hebt het den wijzen en verstandigen verborgen gehouden en het den kinderen geopenbaard," lispelde Tom. „Ja, Vader, want alzoo is het Uw welbehagen geweest."

„Tom, ik geloof niet, ik kan niet gelooven; ik ben begonnen te twijfelen," zeide St. Clare. „Ik zou zoo gaarne aan den Bijbel gelooven; maar, helaas, ik kan niet."

„Och, beste meester, bid tot den goeden Heer: „Heere, geloof, kom mijn ongeloof te hulpe."

Sluiten