Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zij moet te schande gemaakt worden, dat is het juist wat ik verlang! Zij heeft zich al haar leven op haar kieschheid, op haar goed voorkomen en haar voorname manieren zooveel laten voorstaan, dat zij eindelijk geheel en al vergeten is, wie en wat zij is, en daarom zal ik haar een les geven, die haar, dunkt mij, wel anders zal leeren."

„Maar, nicht, bedenk toch, dat wanneer de kieschheid en het gevoel van schaamte bij een jong meisje worden uitgeroeid, gij haar van bijna alles berooft."

„Kieschheid!" zeide Marie met een minachtenden lach; „een fraai woord voor iemand zooals zij. Ik zal haar leeren, dat zij met al haar verbeelding niets meer is dan het ellendigste schepsel, dat op de straat rondzwerft. Zij zal zooveel complimenten niet weer bij mij gebruiken, dat verzeker ik u!"

„Maar gij zult zulk een wreedheid voor God moeten verantwoorden!"

„Wreedheid, zegt gij? Ik zou wel eens willen weten, waarin die wreedheid bestaat! Ik heb alleen tot vijftien slagen bevel gegeven en er bijgevoegd, dat ze niet zwaar moesten wezen. Ik voor mij weet zeker, dat daarin geenerlei wreedheid is."

Geen wreedheid!" riep Ophelia uit: „ik voor mij geloof, dat het meisje even gaarne in eens zou willen sterven!"

„Dit mag iemand met uw gevoel zoo voorkomen; doch al die schepsels raken er ten laatste aan gewoon, en het is de eenige weg, langs welken men de orde kan handhaven. Laat het maar eens zoover komen om hen te doen gevoelen, dat »ij kieschheid moeten bezitten en al die fraaie dingen meer, en zij zullen u versukkelen, zooals men totnogtoe steeds met mij heeft gedaan. Ik ben begonnen om hen allen tot onderwerping te brengen, en zij zullen het allen weten, dat ik den een na den ander denk te laten geeselen als zij niet oppassen."

Sluiten