Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoordde en, als door een goddelijke stem uitgesproken, klonken hem de woorden tegen, welke Eva hem zoo dikwerf had voorgelezen: „Vreest niet, want ik heb u verlost. Ik heb u met mijn naam genoemd. Gij zijt de mijne !"

Maar Simon Legree hoorde die stem niet. Hij staarde Tom enkel voor een oogenblik in het bedrukte gelaat en verwijderde zich vervolgens. Hij nam Toms koffer, die een zeer nette en overvloedige uitrusting bevatte, en bracht dien bij den voorsteven, waar hij spoedig door verscheidene der scheepsgezellen omringd was. Onder veel gelach over de verkwisting van negers, die zich als heeren willen voordoen, werd alles aan den meestbiedende verkocht, en eindelijk de ledige koffer ook. Allen beschouwden dit als een aardige grap, te meer daar zij zagen, hoe Tom zijn bezittingen nakeek, terwijl zij in alle richtingen verspreid werden, maar de verkooping van den koffer was nog het grappigste van alles en gaf stof tot allerlei scherts.

Nadat deze kleine bezigheid was afgeloopen, trad Simon andermaal op zijn slaaf toe.

„Nu, Tom," zeide hij met een luiden lach, „heb ik je, zooals je ziet, van al die overtollige plunje bevrijd. Wees vooral voorzichtig met de kleeren, die je nu draagt, want het zal lang duren, voordat je nieuwe krijgt. Ik ben er op uit, om mijn negers zuinig en spaarzaam te maken; één pak kleeren moet op mijn plantage voor een geheel jaar genoeg wezen."

De boot spoedde voort, beladen met haar vracht van zorgen, over den rooden, modderigen, kronkelenden stroom der Roode Rivier, en treurige oogen staarden mat en moedeloos op de steile, roode oevers, die zij in droomerige eentonigheid voorbij stoomden. Eindelijk hield de boot bij een kleine stad stil, waar Legree met zijn slaven afstapte.

Sluiten