Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXIII.

DUISTERE PLAATSEN.

„De duistere plaatsen der aarde zyn vol van de woningen des gewelds."

Langzaam en vermoeid achter een loggen wagen en over een steeds ruwer wordenden weg liepen Tom en zijn lotgenooten.

Simon Legree was in den wagen gezeten; achter hem was eenig pakgoed opgestapeld, en de geheele stoet was op weg naar de plantage van dezen man, die nog ver verwijderd was.

Het was een woest, verlaten pad, dat zich nu eens door dichte bosschen van pijnboomen kronkelde, waar de wind akelig huilde, en dan weder, over wegen, door groote cypresmoerassen liep, waar de sombere boomen, uit een slikkerigen, poreuzen grond opgerezen, met een zwartachtig mos als met een rouwfloers bij een lijkstatie behangen waren, terwijl men telkens een afzichtelijke mokkasin-slang, zag die zich tusschen afgebroken boomstammen en de verstrooide takken, welke in het water lagen te rotten heenwrong.

Treurig genoeg voorwaar is deze tocht reeds voor den vreemdeling, die met een goed gevulde beurs en een sterk, goed paard dezen eenzamen weg om de een of andere noodzakelijke reden betreedt; maar wilder, woester, vreeselijker is hij voor den armen slaaf, die met iederen voetstap meer verwijderd wordt van alles wat bij liefheeft en waarvoor hij zoo gaarne ijverig werkt en vurig bidt.

Sluiten