Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een enkel verdwaald uitheemsch gewas treurig zijn hoofd uitstak. Wat eens een serre was geweest, had nu geen glazen meer, en op de vermolmde planken stonden eenige uitgedroogde vergeten bloempotten, waarin zich nog enkele stompen vertoonden, waarvan de verdorde bladeren nog verrieden, dat zij eens tot de levende planten hadden behoord.

De wagen rolde een met onkruid bewassen zandpad op onder een statige rij van oranjeboomen door, wier altijd' groen gebladerte het eenige scheen te zijn, waaraan de verwaarloozing geen schade of verandering had te weeg kunnen brengen, evenals zoovele edele geesten, die zoo diep en sterk in het goede geworteld zijn, dat zij bloeien en sterker worden te midden van de ontmoediging en het verval, dat zich rondom hen vertoont.

Het huis was groot en schoon geweest. Het was gebouwd naar de in het Zuiden gebruikelijke manier; een ruime veranda van twee verdiepingen liep rondom alle zijden, op welke alle buitendeuren uitkwamen terwijl de benedenste door steenen pilaren werd gesteund.

Maar nu was alles vervallen en verlaten; sommige vensters waren dicht gestopt met papier of vodden, terwijl verscheidene luiken aan een enkel hengsel bengelden; overal, waar men ook heen zag, ontdekte men sporen

van ruwheid, veronachtzaming en slechte bewoonbaarheid.

De grond lag overal bestrooid met stukken hout, schotels, stroo, oude, ongebruikte vaten en zakken, en drie of vier honden met woeste oogen vertoonden zich bij het geratel der wielen, kwamen knorrende uit hun schuilplaatsen te voorschijn en waren slechts met moeite van een aanval op Tom en zijn makkers terug te houden, door de pogingen der havelooze bedienden, die deze dieren volgden.

„Zietdaar, wat ik u heb meegebracht!" zeide Legree,

Sluiten