Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander dwaalden, hun barbaarsche, gorgelende, half op dierlijke geluiden lijkende uitspraak, hun verscheurde, in den wind fladderende kleederen, alles stond in volmaakte overeenstemming met het gemeene, onheilspellende voorkomen van alles wat zich hier vertoonde.

„Hier, Sambo!" zeide Legree, „breng deze knapen naar het kwartier."

Dit kwartier was een soort van straatje, uit ruwe loodsen samengesteld, in een ver van het huis gelegen gedeelte van de plantage. Ook dezen hadden een treurig, gemeen, verwaarloosd voorkomen. Toms hart kromp weg, zoodra hij ze zag. Hij had zich nog getroost met de gedachte aan een hut, wel is waar ruw, maar die hij toch net en gemakkelijk zou hebben kunnen maken; waar hij een plank zou hebben om zijn Bijbel neer te leggen, en een schuilplaats om in zijn vrije uren uit te rusten. Hij wierp een blik in verscheidene dier loodsen; zij waren niets dan akelige holen zonder een enkel stuk huisraad, bezaten niets dan een hoop stroo, dat verward op den vloer lag verstrooid, die alleen bestond uit den blooten grond, welke door ontelbare treden was vastgetrapt."

„Welke van deze zal de mijne wezen?" vroeg hij op nederigen toon aan Sambo.

„Ik weet het niet; je kunt hier, dunkt mij, wel intrekken," antwoordde Sambo; „ik geloof, dat daar nog wel ruimte voor iemand is; er zijn anders op dit oogenblik in alle een tamelijke partij negers; waarlijk, ik weet niet wat massa met nog meer wil uitrichten."

Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners dier loodsen huiswaarts keerden; mannen en vrouwen in versleten en verscheurde kleederen, met een wrevelig, onaangenaam voorkomen, dat alles behalve geschikt was om de nieuw aangekomenen moed in te boezemen. Er weergalmden geen vroolijke uitlokkende tonen door

Sluiten