Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naaktheid. Tom zweeg, bedrukt, verslagen tot in het binnenste zijner ziel.

„Ik meende het goed met je," zeide Legree, „toen ik je kocht. Je zoudt het beter gehad hebben, dan Quimbo

en Sambo het hebben; je zoudt gemakkelijke dagen hebben

kunnen beleven, en in plaats van om de twee, drie dagen gestraft te worden, zou je de macht ontvangen hebben om slagen uit te deelen aan die andere negers. Komaan, betoon je nog een verstandig man te zijn! Je deedt beter,' dat je je aan mij hieldt; ik ben toch iemand, die nog al het een of ander kan doen."

„Neen massa," zeide Tom, „ik wil volhouden. De Heer moge mij helpen of niet; maar ik zal bij Hem volharden, en tot het laatste toe in Hem blijven gelooven."

„Nu, zoo als je wilt," hernam Legree. „Maar je zult dan nu ook zien, wat ik met je doen zal; ik zal je wel weten tam te maken." En met deze dreigende woorden verwijderde hij zich.

Wanneer een zware last de ziel ternederdrukt tot het diepste peil der lijdzaamheid, dan openbaart zich dikwerf een plotselinge, wanhopige inspanning van alle zedelijke en lichamelijke krachten om dien last af te werpen, en daarom is de grootste smart niet zelden de voorbode van terugkeerende moed en vreugde. Zoo ook was het met Tom. Hij zat als verstomd bij het vuur.

Hoe lang deze toestand duurde, wist hij zelf niet. Toen hij eindelijk weder tot zichzelf kwam, was bet vuur uitgegaan, en zijn kleederen waren doortrokken van den kouden, natten dauw; maar de vreeselijke krisis was in zijn ziel overwonnen, en bij de vreugde, die thans zijn gemoed vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude, geen vernedering, geen teleurstelling, geen lijden meer. Met geheel zijn hart zeide hij thans vaarwel aan al de verwachtingen en uitzichten, welke hem totnogtoe aan dit leven hadden geboeid, en ootmoedig onderworpen bracht

Sluiten