Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zijn eigen wil ten offer aan dien des Oneindigen. Tom sloeg zijn oogen op de stille, eeuwig levende starren aan den hemel, en in de eenzaamheid van den nacht weergalmden de zegevierende woorden van een lofzang, dien hij in vroeger, gelukkiger dagen zoo dikwerf had gezongen, maar nooit met zooveel gevoel als thans.

Zie, de aarde zal als sneeuw vergaan,

Verdooven zonneschijn;

Doch God, wiens wil mij deed ontstaan, Zal steeds de mijne zijn.

En eindt het leven hier beneên,

Vergaan gevoel en stof;

Een leven, vol van zaligheên,

Wacht mij in Edens hof.

Daar ben ik eeuwig bij den Heer;

Gepaard aan 't eng'lenkoor,

Klinkt daar mijn loflied Hem ter eer,

De wijde heem'len door.

Toen de grauwe morgenschemering de sluimerenden deed ontwaken om het werk op de velden te hervatten, was er een in het midden dier ellendige, huiverende, met lompen bedekte schepsels, die met zegevierenden tred zijn weg vervolgde; want vaster dan de grond, waarop hij zijn voeten zette, was zijn sterk geloof aan een eeuwige, almachtige liefde. O, Legree, wend thans al uw krachten en middelen tegen hem aan! De grootste smart, het innigste lijden, de diepste vernedering, gebrek en verlies van alle dingen, alles zal slechts medewerken om den dag zooveel te sneller te doen aanbreken, die hem tot een koning en priester voor het aangezicht Gods zal maken.

Sluiten