Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het wreedaardig karakter van den man met wien hij te doen had; hij wist ook, hoe onbeperkt diens macht was. Maar hij gevoelde zich sterk in zijn God om den dood te gemoet te gaan, eerder dan hulpelooze vrouwen te verraden.

Hij zette zijn mand in de rij der overigen neder en zeide gelaten: „In Uwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heer, God der waarheid!" en gaf zich daarna over aan Quimbo, die hem op een ruwe, hardvochtige wijze had aangepakt.

„Ha, ha!" zeide de reus, terwijl hij hem voortsleurde, nu zal je je deel krijgen! Nu is er geen ontkomen aan! Ik zeg je dat je zonder genade krijgen zult. Zie hoe het je nu bekomen zal, dat je meesters negers helpt ontvluchten! Je zult er voor boeten."

Niet een dezer woeste uitdrukkingen bereikte het oor van Tom; een hoogere, vriendelijker stem fluisterde hem toe: „Vrees niet dengenen, die wel het lichaam kunnen dooden." Al de zenuwen en spieren van het lichaam des armen mans trilden, alsof de vinger Gods ze had aangeraakt, en hij gevoelde de kracht als van een duizendtal zielen in de zijne vereenigd. Terwijl hij voortging, scheen alles, de boomen en de heesters, het huis zijner dienstbaarheid, en geheel het tooneel van zijn diepe vernedering hem voorbij te trekken, gelijk de landschappen voor het oog van hen, die op een snel voortrollend rijtuig gezeten zijn. Zijn ziel juichte van heilige vreugde; hij had het vaderland in het gezicht; het uur der verlossing scheen nabij te zijn.

„Wel, Tom," zeide Legree, opstaande en hem driftig in den nek vattende, terwijl hij de woorden sissend door de tanden uitsprak, en de keel door woede scheen toegeknepen te zijn: „weet je, dat ik mij heb voorgenomen, om je te dooden?"

„Het is wel mogelijk, massa," antwoordde Tom kalm.

Sluiten