Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En ik zal dat doen ook, Tom," hernam Legree met een vreeselijke kalmte, „tenzij je mij zegt, wat je van deze vrouwen weet."

Tom zweeg.

„Hoor je niet?" zeide Legree stampvoetende en brullende als een leeuw: „Spreek!"

heb u niets te zeggen, meester," antwoordde Tom op een zachten, maar tevens vasten en beslisten toon.

„Durf je mij nog zeggen, dat je niets weet," hernam Legree.

Maar Tom bewaarde het stilzwijgen.

„Spreek!" donderde Legree, hem een geduchten slag toebrengende. — „Weet je iets?"

„Ik weet iets, massa, maar ik kan niets zeggen. — Doch ik kan sterven."

Legree haalde diep adem; hij onderdrukte zijn toorn, vatte Tom bij den arm en zeide op een verschrikkelijken toon, terwijl hun gezichten elkander bijna aanraakten: „Luister, Tom, je denkt misschien, dat ik niet meen wat ik zeg, omdat ik je totnogtoe heb laten begaan; maar nu heb ik een vast besluit genomen en de rekening opgemaakt. Je hebt het altijd tegen mij volgehouden, maar thans geloof mij, wil ik je overwinnen of dooden.'"

Tom zag zijn meester met een vasten blik aan en antwoordde: „Massa, was u ziek, in verdrukking of stervende, en ik kon u redden, zoo zou ik mijn laatsten droppel bloed voor u geven, en wanneer ik met dit arme, zwakke lichaam uw kostelijke ziel kon redden, ik zou het even bereidvaardig ten offer brengen, gelijk de Heere het zijne voor mij prijsgaf. O, massa, belaad uw ziel toch niet met deze nieuwe groote zonde! Zij zal u veel meer kwaad doen dan mij! Doe het ergste wat u kan; mijn lijden zal welhaast voorbij zijn; maar indien u geen berouw gevoelt, dan zal het uwe nimmer eindigen."

Sluiten