is toegevoegd aan uw favorieten.

"De groote Oost"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zijn echter ook enkele dingen die aan de Menangkabau herinneren, o.a. het groote familiehuis. Bij de Dajaks wordt dit, naarmate de familie zich uitbreidt, in een rechte lijn voortgebouwd, zoodat zoo'n familiehuis zoo lang kan worden als een straat. In Makoendjoeng staat nog zoo'n huis (nergens elders vindt men er langs de rivier nog een van zulk een lengte, n.1. minstens 100 en misschien wel 150 meter en men ziet zelfs niet veel lange huizen van kleinere afmeting meer aan den Barito) en alleen een bezoek aan dat curieuse gebouw zou de reis met de „Negara" al waard zijn, ook indien die niet nog zooveel anders opleverde. Het aan wal komen, over glibberige boomstammen heen die deels onder water lagen, zou mij stellig, zonder de hulp van den kwieken bootsman, meer hebben gekost dan de natte schoenen die ik er nu bij haalde. Wij kwamen toen (de kapitein en ik) op een hooger gelegen, ongelijk grasveld waar een karbouw graasde, een paar zwarte varkentjes rondrenden en een groot aantal hooge palen stonden. De karbouw kwam, met een verbaasd-bezorgde uitdrukking van „wat-moet-dat?" in zijn groote oogen, kijken naar den Maleier van de boot, die de voortros oneerbiediglijk vastmaakte aan... een totempaal. Totempalen zijn gladde ronde palen, één met een mannelijk en één met een vrouwelijk beeld er op, die als kenmerk van domicilie vóór het stamhuis van een familie worden geplaatst. Ze zijn soms interessant besneden en gekleurd zooals twee palen van een verwoeste kampong, die ik te Poeroek Tjahoe gezien heb en waarop ik o.a. een krokodil, een hond en een schildpad zag uitgesneden en waarvan, uit den kop van dien met de mansfiguur, boschvarens groeien om den hoofdtooi van een krijgsman aan te duiden, die vermoedelijk uit staartveeren van den toekan bestaat. *) Er rezen echter ook

*) Een Dajak met die veerenhoofdtooi heeft blijkelijk z66 veel overeenkomst met een Roodhuid, dat de bevolking de luciferssoort die hier wordt verkocht met een Sioux-kop erop, aanduidt met Tjap-Dajak". De toekanveeren mochten vroegeï alleen worden gedragen door mannen die al koppen hadden gesneld maar dit zal, sinds het Gouvernement het koppensnellen verbood, wel niet meer het geval zijn.