is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3e groep, die er zich aan onderwerpen met bezwaar, zoolang het niet door de kerk is ingetrokken.

Kwam er onder zulke omstandigheden eens een antirevolutionair kabinet tot stand, het zou van zijn eigen geestverwanten veel te lijden hebben.

De verwarring is groot. Mannen die ronduit verklaren : ik verwerp art. 36, blijven in de Overheids-kerk. En mannen die art. 36 zonder bezwaar aannemen en handhaven zouden, zoo zij konden, zijn in de Vrije kerk. Waarlijk, mijn vriend, ik kan het niet helpen als de vraag wel eens bij mij opkomt: zou er toch niet iets hoogers zijn, dan hetgeen wij gewoon zijn de kerk te noemen ? . . . .

Het is thans erg druk in Amsterdam. Niels dan feesten. Tienduizenden vreemdelingen komen en gaan dagelijks. Des morgens levert de Dam een indrukwekkend schouwspel op, en vooral als we het voorrecht van een drogen, zonnigen dag genieten, is alles vroolijk en levenslustig op het aanzien. Toch zijn er nog wel enkele ontevredenen. Men zegt, dat eenige duizenden werklieden werkeloos rondloopen. De handel bloeit niet. Veler inkomsten worden gaandeweg minder; maar we hebben toch feesten en kunnen alle dagen uitgaan en — geld verteren ! Eenige zwartgallige menschen zijn met al die pret minder ingenomen en hebben, vooral op den dag des Heeren, meer lust tot weenen dan tot juichen. Neen, mijn vriend, Amsterdam is ons Amsterdam niet meer. Het behoort een anderen geest toe, dan den geest van de vreeze des Heeren. Het wordt, zegt men, eene wereldstad, en mitsdien ook rijp voor het lot van alle wereldsteden.

Die den Heere vreezen worden gaandeweg meer gasten en vreemdelingen in hun eigen vaderstad. Tot roem van Gods genade en verbondstrouw mag er van Amsterdam nog hetzelfde gezegd worden, wat van Corinthe geschreven staat : God heeft veel volk in deze stad. Men vindt ze, wat niet overal het geval is, nog in alle rangen en standen. Konden we het nu maar eens worden in de dingen der Kerk, eens worden hierin, dat we de gedachte aan een heerschend Gods volk volkomen loslieten, dan zou er van eene lijdende gemeente eene grootezedelijke kracht kunnen uitgaan, den kinderen van dit geslacht ten zegen.