is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zag hij er voor een deel 't verbiage in, dat zijn leven had vervalscht.

„Mijn afgod is de Oprechtheid."

Ze keerde zich om en liep naar den anderen kant van de kamer, waar ze stil ging zitten en Sjoukje met een rammelaar zoet hield.

Het was uit tusschen hen, al deed hij ook dage' Pogingen ter verzoening, welgemeende pogingen, maar die afstuitten op haar onwrikbaar zwijgen

De koppigheid van haar beleedigden waarheidszin lang onderdrukt door een halstarrigheid, die weigerde haar liefde te zien sterven, gordde zich met de walging en maakte haar wreed tegenover den man, wiens groote schuld lag in 't gemis aan karakter, waarvan hij zelf geen besef had.

Rinske leefde in een hel. Eiken dag begon hij haar meer tegen te staan en als hij lief was 't meest, omat zij er den onwil in zag van z'11 beter Ik, te bekennen hoe eindeloos ver ze van elkaar stonden. En ze was alleen, dag aan dag alleen! Alleen met haar ziekelijk kind, dat na korte opleving weer was begonnen te kwijnen, alleen met haar verstoord zenuwgestel in de lange, eindeloos lange nacht-uren, als haar gedachten vlogen over verbeeldingsvelden, groen of grauw, om telkens zich neer te vlijen onder dat oude dak, aan de voeten van dien anderen Eenzame.

Zou ze hem schrijven _ schuld belijden, zeggen dat hij gelijk had gehad?

Ze wou wel — maar ze dorst niet; niet omdat ze bang