is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

„Gepke, is de Leeuwarder er al?"

Dominee Sonnema zat bij de gloeiende potkachel, tegen wier rooden buik hij zijn pijp had aangestoken.

De oude meid schudde van neen en slofte de kamer uit. Sonnema sloeg z'n rechterbeen over het andere dat op de breede, ijzeren stoof stond en blies, achterover hangend in z'n stoel, werktuiglijk kringetjes, die een oogenblik als wolk-hoepeltjes omhoog dreven en dan vernevelden tot plokken rook.

Hij wou werken maar kon niet. 't Was hem onmogelijk z'n gedachten bij één punt te bepalen. Telkens zwierven ze af. Dat gebeurde hem dagelijks. Zijn werkkracht scheen gebroken. Wat hij deed, deed hij machinaal — louter machinaal, en 't baatte weinig, dat hij tegen Satan en Vleesch te keer ging.

Hij had Rinske willen vergeten, haar uitroeien uit z'n herinnering. Z'n worstelend pogen was te vergeefs geweest.

En ook nu weer was hij met haar bezig. Hoe zou 't haar gaan, hoe haar leven wezen met dien man?