Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zullen nu de ontwikkeling der Röntgentherapie bespreken, welke gelijktijdig met die der radiumtherapie plaats vond.

De grondslag tot de Röntgendieptetherapie werd gelegd door Perthes (88). In zijn mededeeling „Zur Frage der Röntgentherapie des Karzinoms" wijst hij er op dat door een laagje aluminium de weeke en harde stralen zijn te scheiden en dat hierdoor het stralenmengsel een grootere doordringingskracht verkrijgt. Deze mededeeling werd gevolgd door een grooter werk (89), wat van veel beteekenis was voor de Röntgendieptetherapie. Hierin zegt hij dat het afnemen der stralenintensiteit in het lichaam des te langzamer gaat, naarmate de buis harder is. Beter is het echter de stralen te filtreeren en zoo alleen de harde stralen door te laten. Hierdoor werd het mogelijk dieper gelegen processen te beinvloeden, zonder dat de huid aangetast werd.

Een verdere studie der dieptetherapie werd gemaakt door Dessauer (90), die het begrip der homogene bestraling invoerde. Om in de diepte een homogeen stralenmengsel te verkrijgen, was het noodig dat de stralenbron zich op grooten afstand van de huid bevond en de stralen door aluminium gefiltreerd werden. In een latere publicatie (91) werkt hij de grondslagen der dieptebestraling uitvoerig uit.

Al spoedig begon men de dieptetherapie in de gynaecologie toe te passen, oorspronkelijk bij fibromyomen en pas later bij uteruscarcinoom.

De eerste, die in Frankrijk uterusfibromyomen met aluminiumfilter bestraalde was Bordier (92).

In Duitschland werd de bestraling met filter bij gynaecologische aandoeningen het eerst toegepast door Albers-Schönberg (93). Hij gebruikte oorspronkelijk als filter 4 mm. leer, maar zag hiermede soms huidverbrandingen optreden. Daarom ging hij later tot aluminiumfilter over. Aanvankelijk bestraalde hij op een veld. op de buik; de focus-huidafstand bedroeg 38 cm. Hij gebruikte een compressie-cylinder met een middellijn van 13 of 20 c.m. afhangende van de grootte van het myoom. Later wijzigde

Sluiten