Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, steeg zelfs, bovendien bestond steeds een verminderde urineafscheiding.

Over den aard van de inwendige secretie van het pancreas stelde in 1891 Lépine 44) een aanvankelijk zeer aannemelijke hypothese op. Het normale pancreas zou een glycolytisch ferment bereiden, dat langs de lymphbanen in het bloed overgaat en daar, bewaard in de witte bloedlichaampjes, verder invloed uitoefent op de aanwezige suiker bij het uiteenvallen dier leucocyten. Uit onderzoekingen bij honderd en vijftig honden bleek hem in ieder geval, dat pancreasextirpatie hand aan hand ging meteen vermindering der glycolyse in het bloed. Men kon echter in een reeks van proeven aantoonen, dat de glycolyse geenszins een per se vitaal verschijnsel is, zooals Lépine had aangenomen. Een tweede ernstige aanval was het bewijs, dat het normale verbruik van het bloedsuiker niet in het bloed zelf, maar inde weefsels plaats vindt. Toen Lépine in 1895 dan ook er toe overging om het aangrijpingspunt van het glycolytisch ferment naar de weefsels te verleggen, won zijn hypothese weer aan mogelijkheid. Door zijn overwegingen kwam hij er tevens toe aan te nemen — en ik wil dit reeds hier met volle instemming gaan beamen, later (zie hoofdstuk IV) zal dit meer gedocumenteerd geschieden, — dat de diabetes geen nosologische eenheid is en niet uitsluitend door pancreasveranderingen wordt veroorzaakt. Toch lag het een weinig voor de hand het pancreas nu meer te gaan beschouwen als een orgaan met suiker ontledende eigenschappen. Inderdaad bleek langs proefondervinde1 ij ken weg de aanwezigheid in de alvleeschklier van een dusdanig werkend ferment; het bleek echter evenzeer, dat eigenlijk alle organen een zelfde werking kunnen ontplooien en dat derhalve in dit opzicht het pancreas volstrekt niet iets bijzonders vertoont.

Volgens O. Cohnheim 45) en R. Hiksch46) die hun onderzoekingen in 1903 het licht deden zien, zou het pancreas een activator bevatten, welke absoluut noodzakelijk was voor de glycolytische fermenten in de weefsels; op deze wijze zou dus ook weer aan de klier een suiker-ontledende eigenschap moeten worden toege-

Sluiten